Oudemans  Cursief (je)

 

ALMA.

 

Ze werd als het ware als winkeljuf geboren. De stiel met de pap ingelepeld bij suikernonkel Arthur (Tuur voor vrienden) en suikertante (Au)Gusta. Ze woonde dan ook amper recht tegenover de winkel en was er kind ten huize.

Eerst als aandachtig en leergierig toeschouwster, die nu en dan eens wat mocht aanbrengen en vanaf haar veer-tiende levensjaar als fulltime medewerkster en eerste ver-tegenwoordiger van het familie-imperium.

Ze kon zich geen verzwakking permitteren ‘voor later’. Als Nonkel en Tante de pensioensgerechtigde leeftijd zouden bereikt hebben, ging zij de zaak overnemen. En ze deed haar best.

De winkel was zowaar de kleine GB van ons dorp. Als je binnen kwam, tussen de twee indrukwekende vitrines door, dan had je onmiddellijk rechts een kleine afdeling waar je eetwaren én rookartikelen kon kopen.

Hier werd, als opgroeiende bengels, onze eerste vertrou-wensrelatie gelegd met het familiebedrijf. Tuur kon zwijgen en wij, wij kochten er ons eerste pakje sigaretten; TIMO’s. Een klein pakje van twaalf stuks voor zes frank mét een doosje lucifers van vijfentwintig centiemen (een kwartje).

Van hieruit trokken we daarmee de wijde velden in en rookten ons lazarus.

 

Maar als Tante Gusta per ongeluk voorkwam in de winkel, dan kochten we, omdat we twijfelden aan de discretie van haar, voor één frank spekken. Zwarte ‘belga’s’, waar je de tanden kon inzetten en dan in vijf minuten de mond niet meer open kreeg. Acht belga’s voor één frank. Ze ‘gingen lang mee’ en dát kwam op de eerste plaats.

Links in de winkel stond ‘de groten toog’ die doorliep tot aan de deur van de achterplaats. Op die kant kocht je al-les voor het huishouden. Van breiwol tot de ‘trui op de maak gekocht’ (zo werd dat genoemd vroeger als je hem niet zelf gebreid had), van de witte flanel voor de lange onderbroeken tot de gele voor de lakens en hoofdkussens (of was de kleur andersom?). Daartussen lag een heel as-sortiment dagdagelijkse benodigdheden. Van (luiewijven)- knopen en tiretten (ritssluitingen) tot rubberen ringen voor steriliseerbokalen.

In een aparte afdeling, heel achteraan, was ‘de rayon’ van de kloefen en de sloefen, mét of zonder leer (over de voet). Een échte Grand Bazar op maat geknipt voor de buitenmens van de golden fifties en sixties.

Toen Tante Gusta en Nonkel Tuur ‘gene weg’ meer kon-den en ter rusthuize vertrokken, nam Alma de zaak over zoals voorzien. De kersverse eigenares zorgde voor nog wat extra keuzes én was ondertussen ook gehuwd en woonde op het dorp. Het regelmatig uitbreiden van het verkoopsaanbod zorgde er voor dat de zaak in de huidige Nieuwstraat (toen Molenstraat) te klein werd en Alma bouwde er een nieuwe naast en aanpalende aan haar woning (op het dorp, waar nu Mevr. Wed. Verweire woont). De verhuis duurde een tweetal weken waarbij onze GB gesloten bleef wegens ‘werken’ en toen alles weer op zijn pootjes stond bloeide onze ‘Grand Bazar’ weer op als nooit te voren.

Per trimester werd het aanbod nog opgedreven met char-cuterie, speelgoed, drukwerk … Daarna volgden nog groenten en fruit, crème glacekes enz.

Na een jaar kon je er de gaten van je schoenen laten stoppen, je kostuum laten kuisen en je gerimpelde schoonmoeder laten uitstrijken met het allernieuwste stoomstrijkijzer. Nog later volgde brood en banket, bloe-men voor moederdag en Allerheiligen.

Dát alles tussen de vijzen, de moeren, de muurhaken en de nagels en punaises op een oppervlakte van zo’n 150 vierkante meter.

 

Het ZOU een ‘zelfbediening’ worden. Daarvoor was de nieuwe winkel voorzien van TWEE deuren. Eén voor den entree en één voor de verzadigde koper die naar huis wou. Dáárom stond er bovenaan in koeien van letters ‘ZELFBEDIENING ALMA’. En DAT moet je aan een buitenmens eens uitleggen: ‘zelfbediening’.

Een klant komt winkelen, ziet een andere aan de uitgang bezig met  de betaling én zijn afscheidstater, en hij duikelt onmiddellijk binnen, langs de uitgangsdeur, voor een deel-name aan de ‘klets’. Resultaat: na twee maanden was er nog maar één deur die openging (de uitgang). Tot grote ergernis van de wildvreemde klant die zich blauw ergerde omdat hij langs de ingang niet binnenkon (er stonden nu rekken voor) en langs de uitgang niet binnen durfde omdat dat nu eenmaal de ‘uitgang’ was.

Onze GB groeide velen letterlijk boven het hoofd. Op den duur wist je als klant niks meer liggen en de winkelvreug-de werd een winkelpest.

Voor 100 gram salami moest je een slalomkoers afleggen tussen stapels emmers via de dozen schoenen naar de sponzen en  zeemvellen, rechtsaf, goed omhoog kijkend dat je geen trui of een stuk speelgoed in de nek kreeg, rond de staander met wenskaarten naar de koeltoog waar je bestelling werd verzorgd.

En dit  was dan ‘Alma’s magic corner’. Hier kon ze tove-ren. Ons moeder zei altijd:’…en vragen om ’t eerste schel-leken er NIET bij te doen’. Wij vroegen dat gehoorzaam en hielden de zaak zelfs aandachtig in de gaten. Altijd legde ze wat opzij, maar dat eerste schelleken zat er toch altijd tussen. Alma KON toveren.

In de zomer stonden groenten en fruit buiten, in het tus-senseizoen binnen. Dan was het vliegentijd. Overrijpe to-maten en fruit van dezelfde leeftijd werden veel te laat ver-wijderd vantussen de goede. Hele horden vliegjes dansten vrolijk op het fruit rond en in de winkel. Moest iemand een kilo van het één of ander dan zocht hij dat gewoon zelf de beste speciën uit. Zo was dat in die goeie ouwe tijd. Dat was DE service van de plattelands Makro. Voedingswareninspectie bestond enkel in ‘de dikke Van Daele’.

En zo gebeurde dat er op zekere dag een klant, na zijn bestelling te hebben betaald, nog iets extra’s wilde:

- ‘Alma, geef mij daar nog eens die twee bloedworstjes mee alsjeblief’.

Onze winkelmadam keek verwonderd naar de twee aan-gewezen, overrijpe en zwart geworden chiquita’s.

- ‘Die kunde nie krijgen’ was het antwoord, ‘die zijn voor mijne vent. Om mee te doen naar zijn werk…’

Zelfbediening Alma sloot jaren geleden voor altijd de deuren, op pensioengerechtigde leeftijd.

 


 

 

HAAR. (een levensverhaal)

 

Was het de wispelturigheid van de veranderende mode of was het mijn moeders smaak, ik weet het niet. Maar plotseling bleek mijn kapsel aan een grondige renovatie toe. Mijn ‘krul’, de kleine blonde worst, waaronder ik mijn eerste levensjaren, fier als een gieter,maar met vallen en opstaan, had geleefd, moest plots de plaats ruimen voor een ietwat modernere creatie. Geen Coco-flanel-look, geen gedoe. Enkel de ‘look’ van Charel één (De Graeve) of Charel twee (Van de Bulke). Onze plaatselijke ‘barbiers’ schenen in die tijd allemaal ‘Charel’ te noemen. Charel De graeve had zijn etablissement op de plaats waar nu de twee garages staan in de Kerkstraat, tussen Annie Martens en Cyriel Mervielde. Ik herinner mij van hem enkel de grote snor waarachter hij door het leven ging en de wereld bekeek. Charel Van de Bulke ligt me nog recenter in het geheugen.

Hij woonde in het huis op de hoek aan de kerk (nu gekocht door de gemeente). Het was een huis van comerce van voor tot van achter. Als je de deur openstak stond je in het café waar Marietje de tap deed. De ‘toog’ stond helemaal tegen de verste muur. Voor de haarsnijdkunst van Charel te ondergaan moesten we links achter het biljart de keukendeur binnen. Onmiddellijk links was een verhoog aangebracht van een tiental centimeter en dat was de place to be voor de hairstyling anno 1955. Het was eveneens een deel van de woon-kamer, dus wie zijn beurt zat af te wachten nam in enige mate deel aan het dagelijkse gezinsleven van Charel en co.

Dit alles speelde zich af onder de vleugels van ‘moeder de Heilige kerk’ want Charel woonde onder de kerktoren. Zijn tuin gaf uit op het kerkhof. Romantisch was dat helemaal niet maar toch was er ten huize van onze Charel romantiek te over en telde zijn gezin meerdere bleiterkes van een ver-schillend assortiment.

 

Vóór ik naar de kapper ging wastte moeder me het hoofd grondig met sunlight-zeep. Van die grote vergeelde stukken. Dat was goed voor en tegen alles. Tegen schilfertjes, tegen haaruitval, tegen de luizen, vóór de schone glans en vooral omdat sun-light nog altijd beter was dan bruine zeep, het enige ander alternatief. Er was toen nog geen ‘Kera Sta-se’, geen ‘André Lon’, geen swartskopf’, geen wash and go.

 

Toen mijn koppeke droog was kon ik naar de Cha-rel vertrekken. Charel was modern ingespannen, want naast zijn collectie handscharen allerhande had hij ook een elektrische tondeuse met drie paar valse tanden. Eén voor ’t grof werk, één voor de middensnee en één voor de finesse of eindafwer-king. Dat ‘grof werk’ was dan ook wel eens letterlijk te nemen. Voor een ‘klodderken’ haar hield de Cha-rel zijn machien niet in. Voor een rukje om bestwil keerde hij zijn hand niet om en meerdere keren beet zijn machien iemand in het oor. Ook in het ‘schaarwerk’ kon hij zo opgaan dat hij uw oor niet zag met alle gevolgen vandien. En thuis moesten wer niet over zagen want ’t was onmiddellijk van: ‘Weer niet stil gezeten zeker?’. Dat allemaal hoorde in die tijd bij de risico’s van ’t vak.

 

Enkele jaren later verlegde ik de aanbesteding van mijn coiffuur naar Watervliet. Daar werd coiffeur(se) ‘Germaine’ ontdekt, een revolutionair geval die en-kel mannen knipte van negen tot twaalf en van twee tot zes (lees: coiffeerde).

Dat was een weelde! Het mens scheerde op één millimeter over je hoofdhuid, zonder ook maar één keer iets anders te raken dan haar. Dat haarbijterke van Germaine zweefde rond je hoofd met een moe-derlijke zachtheid en ieder kloddertje haar werd eerst ontrafeld met haar tedere vingertopjes. Soms voelde je daarbij de warme gloed van haar welge-zette borst(en). Het was dan ook geen mirakel dat van dan af mijn haar waarempel begon te krullen al zullen mijn publiciteitsjaren ook wel een beetje mee-geholpen hebben in het hele proces. Zo knipte zij ‘jaaaaren’ mijn kopje aan de reclameprijs van hon-derd Oudemanse galetten tot ze aan een welver-diende rust toe was. En dan was het uitkijken naar een verse ‘knipkracht’.

Ik belandde waar het destijds allemaal begon. In ons bloedeigen dorp, bijna onder de kerktoren en op een zeer kleine boogscheut van wijlen Charel Van de Bulke. De cirkel was rond. Er zaten wel der-tig levensjaren tussen.

De laatste verandering heeft mijn hardos nooit echt verwerkt. Hij begon te treuren, te vermageren en het viel nog wel mooi, maar vooral op de grond. Het feit dat ik mij opnieuw verjongde van knipster, dat ze jong en mooi was, had geen enkel uitwerking meer op mijn haardos(je). Ze doet, zo mogelijk, haar werk nog zachter dan Germaine, maar één krul krijgt ze er niet meer in. Voor geen geld ter we-reld. En ook zonder bril zie ik iedere keer hoe tries-tig het arme schaap mijn plantage inkijkt en hoe ze moet manoeuvreren om de ‘gaten des tijds’ niet hopeloos te vergroten of er in te vallen met machien en al. Telkens weer is het voor haar een gokken wat weg mag en wat moet blijven. Mijn petje af voor zulk een moed en zelfopoffering. Na iedere bezoek van mijnentwege heb ik het onbehaaglijk gevoel dat zij zich onmiddellijk na mijn vertrek in haar keuken terugtrekt en haar opgelopen frastratie hartgrondig uithuilt. Dat is ook de reden waarom ik graag als laatste man geknipt wordt.

Nog enkele jaren hoop ik dat mens te kunnen pes-ten. Dan zal mijn haarpro-bleem definitief verdwe-nen zijn uit eigen vrije wil. Zonder weedasol of roud-up zal alles tot de laatste sprietel uitgevallen zijn. Dan kunnen alle coiffeurs en hairstylisten voor mijn part de pot op. Dan kan ik geen kapper meer zien. Zelfs in mijne hof niet.

 

 


 

diefVerhalen van en over den Oudeman.

Een gewaagd avontuur.

 

Vijf jaar van je jong leven, ook al liggen die reeds meer dan een halve eeuw achter ons, dat veeg je zomaar niet onder tafel alsof ze er nooit geweest waren.

Uitweiden in verband met de levensomstandigheden, de angst, de vertwijfeling, het alert zijn als Jongeman tegenover de bezetter is onnodig. De meesten van ons hebben het meegemaakt.

De holocaust, de gruwelen die in tal van landen plaatsvonden, waarbij miljoenen mensen het leven lieten, vernamen we pas nadat de 2de wereldoorlog ’40-’45 achter ons lag.

Door gebrek aan grondstoffen lagen veel bedrijven stil of werkten op halve kracht. Jonge mannen werden naar Duitsland weggevoerd om te arbeiden in fabrieken en in de landbouw. Als je kon bewijzen hier onmisbaar te zijn voor de tewerkstelling als agrariër, die behulpzaam waren voor de voedselvoor-ziening, had je geluk. En dát geluk had ik.

Een bevriende landbouwer bezorgde mij een attest dat ik bij hem in dienst was. Een mooie troef was, dat hij zowel in Nederland als in

België land bezat, wat voor gevolg had dat ik met

 weinig moeite een grenskaart kon bemachtigen. Dit stelde me in

staat eender waar de grens over te steken.

Aangezien er in ons branche als schilder weinig werk was, mede door het gebrek aan materialen en goederen, werkte die grenskaart een alternatief in handen om een frank bij te verdienen. Ik had zeker het lef niet, zoals die grote bonzen die in ’t holst van de nacht dwars door de velden heen, graan en zelfs jonge kalveren de grens over brachten. Wij waren het kleine grut, die een handeltje deden in boter, kaas, sacharine, suiker, tabak en andere klei-nigheden…,maar toch de moeite loonde.

Het grote voordeel was dat de bevolking achter de smokkelaars stond en ze op een of andere manier steeds inlichtte als er ergens controle was. Ze waren de supporter!!

De stoere mannen handelden in ’t groot en namen soms enorme risico’s. Zo had je bijvoorbeeld de gebroeders Pauwels. Twee sterke jonge kerels. Mannen als bomen.

Philibert en Albert (alias scheete, later veldwachter te Sint-Margriete), twee mannen, avontuurlijk en onvervaard.

Die nacht moesten ze een geslacht varken halen achter een ‘strooiopper’ op de Oranjedijk net over de grens.

De alomgekende en overberuchte Miel Ternooi zou dat op die plaats, in twee zakken verdeeld, depo-neren. Een zware klus! Bij valavond vertrokken ze per fiets via Rovershoek, langs grenspaal 329 – 1843, langs de Krakeel-polder.  Aan de mendeur van Marien De Jonghe stond een hooivork, teken dat al-es veilig was. Over de Liniebrug naar Turkye. Hier stond het tuinhek van vader Van Halle open als teken dat alles veilig was. Gerustgesteld doken ze de verbindingsweg in waar ze halfweg de Zevenhofstedenstraat kruisten.

Daar werd de fiets weggemoffeld en te voet verder tot de bewuste opper.

Hun verbazing was groot als ze vaststelden dat het voorziene geslacht varken er niet lag zoals de afspraak was. Na overleg besloten Fiete en Schete nog even te wachten.

Wat was er misgelopen? Was er controle geweest? ’t Was mogelijk.

Gehurkt, doodstil en scherpluisterend zaten ze daar achter het strooien bouwwerk, tot ze plots in de verte motorgeronk hoorden. ’t Kwam dichter en dichter tot het eindelijk vertragend en sputterend de menneweg kwam opgereden tot vlakbij de twee mannen. Verschrikt sprongen ze recht. Een motor met zijspan, een Duitse gendarm erin met overbekend embleem op de borst ! Zonder de motor stil te leggen stapte hij af, boog zich over het zijspan en gooide er twee zakken geslacht varken voor de voeten van de broers. Die konden hun ogen niet geloven! Voor hen stond Miel Ternooi in hoogsteigen persoon, vermomd als veldgendarm.

‘’k Was even te laat’ zei hij, terwijl hij zijn been over de motorzitting gooide. “Wel thuis, mannen !”…even gas en weg was hij.

Eer ze van de schrik bekomen waren, was er geen geluid meer te horen. Toen tilden ze de vracht op en vatten de terugweg aan.

Een onvergetelijk en gewaagd avontuur. De gebroeders Pauwels hebben het na de oorlog nog dikwijls naverteld.

 

Geschreven door Willy Cornelis, (7/06/1925 – 30/05/2006) uitgegeven met toelating van de familie en nabestaanden.

Willy Cornelis groeide op in de Nieuwstraat 54 waar nu Wenda Van Vooren woont. Zijn vader was huisschilder en ze hadden daar een winkel. De filibert waarover sprake was de vader van ‘Eric’ en de broer van Albert (schete). Albert was champetter in Sint-Margriete en Filibert was slager op den Oudeman en had een winkel eerst in de Nieuwstraat dan op het Dorp (naast kapelleke).

 

 

 

 


 

Snoepjes voor de Figaro.


Ik neem U nog maar eens mee terug in de tijd. De tijd waarvan men zegt dat het er leven goed was. De tijd toen de pastoors nog dagelijks een mis deden en iedereen nog minsten éénmaal per week naar de mis ging. Ook omdat het van moeten was en omdat het in onze Mechelse Cathechismus stond, én uit vreze Gods.

De tijd dat er nog geloof gehecht werd aan het woord Gods. Amaai! Maar dat is lang, lang geleden.

Het is geen verhaal van wat de pastoors anno 1950 de mensen allemaal voorhielden of wijsmaakten, maar ’t wordt een vertelseke over de geneugten des levens ‘rond’ de kerk. Gezien de kerk in ’t midden van een dorp staat, draait het hele leven rond en onder de toren. Zeker in dit geval.

Iedere zondag, na de mis, dook het meeste van onze mannelijke kerkgangers meteen het café binnen.

kapperssalon

Charel was herbergier, coiffeur en huisvader van vier nakomelingen. Zijn vrouw, Marietje, was ingevoerd vanuit Nederland. Daar was verder niks

mis mee.

De ingang van het café lag pal naast de ‘dreef’ naar de kerk toe. Als je van uit de kerk kwam draaide je gewoon het hoekje om en je had als het waren de deurklink van het café in je hand. Stak je de deur open dan liep je recht op het grote biljart. Rechts stonden de tafels voor de kaarters en ook links tussen de grote middendeur en de toog, die achteraan tegen de muur stond. Liep je door de muur dan stond je, bij wijze van spreken, met je neus voor de grafzerk van de burgerlijke oorlogsslachtoffers (Watervlietsesteenweg).

Door de grote middendeur stappend kwam je in de afdeling knippen en plakken. Hier werden de mannen hun haar gescho-ren en de baarden geknipt. En af en toe al eens een pleisterke geplakt als Charel eens uitschoot met zijn materiaal. De scheer-stoel stond op een klein houten verhoog voor een enorme spie-gel. Scharen groot en klein en tondeuses met wisselbaar gebit, die nog met de hand werden bediend, lagen verspreid op de kap-perstafel voor  de spiegel.

Charel had van die goede dagen en zeker ook minder geslaagde. Soms leek het of hij in de week met zijn tondeuze de graskantjes van zijn gazon had afgereden en de scharen tegen de muur waren geslepen of gewet. Nee, een zachte hand dat had Charel niet. Voor de kids had een knipbeurt dan ook wel eens iets van een nachtmerrie bij klaarlichte dag. Charel knipte er dus luchtig op los overdag… en in de latere uurtjes ook wel eens. Zijn nageslacht werd niet ten huize besteld door de heilige geest. Zijn vrouw, Marietje, was een kop kleiner dan hem en was een vurig type. Bij leven en welzijn, bij nacht en ontij en met Marietje aan zijn zij, knipte Charel dus ook wel eens buiten zijn reguliere werkuren. De slaapkamer was één grote slaapzaal waarvan de afdeling ‘volwassenen’ maar weinig afgeschermd werd van het overige deel waar de kinderen sliepen. Eigenlijk kon iedereen elke beweging van de andere slapers horen. Dat was zo vroeger.

Op een avond had Charel dus eens geknipt in overuren en zijn vrouwke was tevreden. Dat zei ze hem dan ook;

‘Nou, Charel’; zei ze, ‘dat was even lekker’.

Maar gezien de ‘horigheid’ op zolder waren er medeluisteraars geweest die zich vragen stelden bij moeders’ lekkers.

Er werd overleg gepleegd op kinderniveau en de jongste moest het dan maar vragen…

‘Wat is dat daar allemaal? Zijde gulder daar spekken aan ’t eten misschien? vroeg de kleine met enige terughoudendheid.

En de Charel?…die kon niet anders dan eens flink uitvliegen naar zijn kroost. In zijn ‘vliegende vane’ schoof hij het bed uit naar zijn wakkere nazaat, schudde hem eens goed dooreen en stopte hem diep onder zijn dekens. Zo diep dat hij niks meer kon horen of zien.

En de klokke tikte de nachtelijke uren weg. De Volgende morgen kwam de zon op gelijk alle dagen. En Charel knipte en knipte in goede en minder goede dagen. Ter ere Gods en zijn schapen groot en klein in de schaduw van onze kerktoren.

 charel_2

 

 

De woning van Charel werd aangekocht en afgebroken in 2002 door de gemeente Sint-Laureins en er kwam een groene zone met zitbank in de plaats.

 

 

 

 


Met het oog op Allerheiligen en Allerzielen…

 

Thuis heb ik nog een ansichtkaart…

 

Een bijna wereldberoemde zin uit een bijna even beroemd lied van de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld. Hij beroerde er de onze lage landen mee… in de vorige eeuw. Een lied met een levensverhaal waarbij je echt niet moet gaan zoeken om het in je omgeving in te passen.

 

T

oen waren we nog jong en alleen de melodie bleef ons bij. Al ouderend kwam de tekst zichzelf echter een eerste plaats opeisen, je ging beseffen hoe akelig écht de woorden waren en de melodie ondergeschikt werd.

De oorlog liep op zijn laatste benen toen ik genoteerd werd in de geboorteregisters van mijn dorp. Je groeit op in voor- en tegenspoed. Als kind kijkt je op de wereld der vijftigers als naar een museum. Die hadden hun tijd gehad! Die waren aan hun laatste rit toe… Eentje met een leeftijd van drie cijfers was toen bijna ondenkbaar.

Maar eenmaal als je verjaardagstaart te klein wordt voor het vereiste aantal kaarsjes dat met je ouderdom overeenkomt, komt er onbewust een ommekeer in je levenshouding. Je kijkt bewuster om je heen. Ziet jonge mensen verhuizen, je weet kinderen geboren worden. Je gaat doodsprentjes bijhouden van bekenden en sporadisch verwelkom je een nieuweling. Die zeldzame vogel is makkelijk bij te houden en staat meteen op de inwonerslijst in je gedachten. Maar ondertussen zijn ook de tijden zo veranderd dat de ‘nieuwelingen’ zich op een andere manier aanpassen in het dagdagelijkse dorpsleven. Ze brengen een andere levenswijze mee. De banden worden niet zo nauw meer aangehaald. Dat is niet de fout van deze mensen maar die van de veranderende tijd.

Wanneer je in onze Nieuwstraat passeert, kijk dan eens naar de electriciteistspaal tussen de huizen van nummer 28 en 30. Bekijk hem goed… hier zaten we, jaren terug, iedere zomeravond met de rug er tegen geleund. Bij ons de familie(s) De Reu (rechtover), Van Acker (alias: Gort), Lievens en de Van de Vijvers jong en oud. Hier werd verteld, gelogen, de kleine kinderen bang gemaakt van Osschaert en zijn bende en dit allemaal onder het licht van een schamper brandende straatlamp…TV-loos-gezellig!

Maar onze eigen dorpsvisie werd herschreven en hebben we hoogdringend moeten herzien. Dat was niet gemakkelijk. De oude garde, waarvan je dacht dat deze onkreukbaar was, slonk langzaam maar onomkeerbaar zeker in aantal. Op enkele jaren tijd was iedereen ‘met een lapnaam (bijnaam)’ verdwenen en/of gehuisvest achter en rond de kerk. Jaren geleden was die bijnaam een noodzaak. Wie geen bijnaam had, was op het dorp niet gekend. Vaarwel dus aan ‘de rosten H.’ vaarwel aan ‘Julma Tijn’ adieu Teejken Gort’ en al die andere ‘Soesters’.

Het leven vliegt met je vooruit. Soms heb je wel eens een ‘klepke’ nodig om stoom af te blazen. Inwonerswissel(s) worden moeilijker verteerd en/of bijgehouden. Begravingen worden een echt afscheid for ever en de lijst der échte Oudemanners, hier geboren en opgegroeide buren, wordt steeds kleiner. De verzameling doodsbeeldjes van gewezen inwoners wordt groter en groter.

Vandaag is onze buurvrouw vertrokken naar een rusthuis. Onlangs werd een andere buur met spoed opgenomen in een ziekenhuis en zonder zoeken zet ik een tiental anderen op mijn ziekenboeglijst. De lijst van de zeventig plussers is even lang of nog langer.

Opeens kom je tot het besef dat je bij de onmiddellijke opvolgers bent van die ouwe vertrouwde garde en over een paar jaar, als’t goed gaat’, dan sta je op kop. Als je omkijkt zie je honderden vriendelijke maar ‘vreemde’ gezichten. Amper nog een paar ouwe ‘aboriginals’ die overschieten. De rest van het dorp is volledig (ver)NIEUW(d). Zaken waarvan je dacht dat het nooit zou verdwijnen, zijn verdwenen. Afgebroken, verkocht voor het goede doel? Uw  dorp werd ‘deelgemeente en heeft dringend bescherming nodig!

Een tijdje geleden meldde een trouwe lezer ons zijn adresverandering. Hij verhuisde ook naar een RVT. Hij deed het met een volgende mededeling aan ons:

‘De voorlaatste stap is gezet. Gelieve ’'t Waterlandje in ’'t vervolg te sturen….

Dit realisme zet je aan het denken. Onomwonden écht. Het leven zoals het is. Ieder schrijft zijn deel op zijn eigen manier. Wie schrijft die blijft en papier is geduldig.

Thuis heb ik nog een ansichtkaart… Ik heb er veel. Ze zullen me ongetwijfeld allemaal overleven. Ons nageslacht zal er (hopelijk) wel zorg voor dragen.

 

 


 

Het manneke.

 

Als ze samen de wandelpantoffels aantrekken dan gaan pépé en de kleine regelmatig eens de kerk binnen. Niet om enige klantenbinding te verzorgen maar gewoon omdat de kleine zo gefascineerd is door het grote kerkgebouw. Door het regelmatig bezoek en de professionele uitleg die hij daarbij ontvangt, weet hij als de beste waar zijn mémé zit als die naar de mis gaat. En steevast gaat hij eens op haar stoel zitten.

Sint-Niklaas kent hij ook. Niet alle verhaaltjes maar dat wat pépé het beste vindt voor zijn jaren. Van de overige leden van de hele bende heiligen weet hij niet zoveel. In de school wordt het niet meer vertelt en waarom zou de oude garde eraan beginnen, want de massa aan heiligen is enorm. Ook thuis wordt niet aan heiligen-binding gedaan.

Toen ‘wij’… amaai… klein waren en de eerste kleuterklas met vrucht (Godsvrucht) hadden doorlopen, wisten we alles van en over O. L. Heer en zijn entourage. Mét de dichtste al of niet aangetrouwde heiligen maar niks over de kindjes. Nu weten die ventjes alles over de kindjes en niks over Jezus en co.

Als grootouder ben je wel van een zwaar stuk levensfilosofie verlost want dat hele heiligengedoe is geen makkelijk onderwerp.

Dus bij ieder kerkbezoek met de kleine gaan we wijselijk alle moeilijke vragen uit de weg. Het kan onze relatie enkel maar ten goede komen.

Bij het afsluiten van ieder kerkbezoek is de doopvont de afsluitende atractie.

‘Hef mijn eens op pépé’ zegt de kleine.

‘Da’s diep hé” pépé!’, en waarom zou ik hem tegenspreken.

De doopvont staat achterin de kerk dus op één wip zijn we dan weer buiten.

We kijken eens rechts en daarna eens naar links want de kleine weet ook dat daar de gestorven mensen begraven liggen. En zo beëindigen we telkens weer dit bezoekje.

Laatst werd er gevlogen met paramotors in de Calusstraat (Roste Muis) en gingen de kleine en pépé eens gaan zien. We reden door langs de achterkant van de kerk (Appelstraat).

Ter hoogte van de pastorie zei de kleine plots: ‘Pépé, hebt ge dat manneke gezien?’

Ik ,had helemaal geen manneke gezien en bij navraag bleef de kleine beweren een manneke gezien te hebben. Ik rem dus af en draai terug want er zou toch maar eens een ‘schenterventer’ (afbreker) op het kerkhof moeten ronddolen. Bij de doorkijk achteraan de kerk was niks te zien. Niks, nothing, rien de knots!

‘Wel manneke, waar is dat manneke’ vraag ik aan de kleine.

Hij wijst met zijn beste vingerke naar het tafereel achteraan de kerk (de kalvarie).

‘Kijk daar zie, die grote met die mensen ernaast’ was het antwoord.

En de pépé moest lachen.

Van Mega Mindy weet hij alles. Hij kent alle kabouters uit het grote kabouterbos met naam en bijnaam. Maar de Avonturen van Het Manneke achteraan de kerk zijn hem onbekend.

De opvoeding anno 2011 is heel wat anders dan die uit de midden vorige eeuw.

Waarvan akte.


 

De kakschool.

 

De ijskoude nieuwjaarsvakantie is voorbij en kleinzoon Lenny staat op de drempel van zijn ko-mende ‘jaren van verstand’. Hij gaat naar de kleuterschool, het eerbiedwaardig en kwaliteitsvol ontwikkelingsbegin van heden ten dage, voor iets wat wij vroeger onder de naam ‘kakschool’ verwoordden. Op zijn Oudemans was dat dan ’t schijtscholleken’.

De kleine is er gereed voor. Hij praat als zeven Tamboers en is in een thuiscursus klaargestoomd voor deze grote sprong. Op zijn smal rugje hangt een iets te groot Plop-boekentasje met een knuffel erin en een gepersonaliseerde ‘papa-is-the-best’ fopspeen voor het geval er door een ‘diep dal’ moet gegaan worden. Daarnaast ook een paar pampers voor in geval van nood want alle lekkages zijn nog niet honderd procent gedicht.

Voorlopig heeft juf Nancy geen last van dat alles bij de peuter. Maar eens thuis gekomen is het binnen het kwartier ‘prijs’.

Van een kakpotje moet hij niet weten. Hij is nog zo conservatief! Hij verdedigd zijn merkluier met hand en tand, met lijf en ziel, en weigert iedere sluitstorting op of in een klein nietszeggend en naamloos kalpotje. Tot grote ergernis van zijn dichtste omgeving natuurlijk.

Wanhoop leidt tot van alles.

Na ontelbare pogingen tot…, na ontelbare verhaaltjes, waarbij je bij de eerste woorden normaal al diaree krijgt, wordt overgegaan naar een volgende fase van het droogleggings-beleid.

Juist voor de paasvakantie komt de kleine de school uit met, naast de traditionele paaskleurplaat én konijnenoren op het hoofd, een koffertje aan de hand. Niet zomaar een ‘valieske’! Nee, een magisch koffertje met educatieve inhoud zoals een knuffel, WC-potje voor die knuffel en een drietal boekjes van en over ‘het proper kind’, om te lezen. Een volledige cursus ‘van de broek naar de pot’.

Daar de kleine nog geen letter kan lezen is het duidelijk voor wie de boekjes eigenlijk bestemd zijn.

De hele familie leeft mee want NU gaat het gebeuren…

De mama en de papa zijn er ook klaar voor. Al vrezen ze dat er aan hun werk wel eens een reukje zou kunnen hangen. Het wordt dus voorlezen tot het je de stro(n)t uithangt! Maar ’t is voor het goede doel en het doel heiligt de middelen zoals het spreekwoord zegt.

Paasvakantie!!! Twee weken verlof!!! Moet kunnen!!!

Met volle moed wordt toegeleefd naar het afscheid van de pamper. Een eerste poging levert niks op. Waarschijnlijk heeft Lenny de tekst nog niet goed verstaan. Als de eerste sessie een kwartier achter de rug ligt, ligt er nog wat anders achter zijne rug en wordt er alarm geslagen. De beerkar is geweest. De zoveelste pamper is beschreven van onder naar boven, van links naar rechts en vice versa. Niks aan te doen. De aanhouder wint en hoop doet leven.

Dagen na de paasvakantie zitten we plots in een andere levensfase met de peuter. De kleine kakt plots op zijn potje maar wil daarbij geen pottenkijkers. Hij zal en wil het alleen doen.

Iedereen is in de wolken, maar een volledig vaarwel aan de pamper is het nog niet. Het wordt een vechtscheiding. In de voormiddag met de pot, in de namiddag is het leve de pamper.

De berg is hoog, de hindernissen zijn zwaar om te nemen.

De snoepjes, als beloning, hebben ook hun intrede gedaan en opeens is de kogel door de kerk.

De WC-sessies gaan en komen zonder enig probleem. Zelfs ’s nachts is er geen plaatselijke neerslag meer te bespeuren ook al zegt het weerbericht iets anders.

Hiep, hiep, hoera voor de kleine en voor iedereen die hielp om dat alles te bereiken.

En zie… opeens zitten we in een volgende levensfase met de peuter. Een ander hoofdstuk in de opvoeding.

Gisteren liet Lenny iets vallen op de grond. Zijn reactie was klaar en duidelijk…

God-miljaaaarde!!!

Waar zijn de boekjes over het beleefd vloeken. Waar is de literatuur over de kinderkrachttermen. Waar is het evangelie met het hoofdstuk over: ‘Mijn gesprekken met God en hoe haal ik mijn gelijk’?

Er is nog veel plaats in de boekenkast.                                                                    WVH

 


 
  Site Map