GESCHIEDENIS VAN WATERLAND-OUDEMAN.

Voor den grote watervloed van 1577, waarbij niet min dan 17 dorpen in 't Noorden van Vlaanderen verzwolgen werden, droeg deze plaats den naam van 'St. NICOLAES-TER-VARENT'. In 't latijn : 'IN AVERNO'  zoals zij later wel eens, o.a. in oorkonden uit de 17de eeuw aangeduid wordt. Haar uitgestrektheid voor gemeld tijdstip met juistheid bepalen is even zo ondoenlijk als de opgave van hare oorsprong, hetgeen zij overigens met tal van haar omringende dorpen gemeens heeft.

Er is nochtans een document overgebleven dat over hare ligging enige wetenswaardige inlichtingen behelst die we van belang achten, ook voor de topografische kennis van deze omstreek. Bedoeld wordt hier de landkaart van het Graafschap Vlaandren ten tijde van Gwijde Van Dampièrre, opgemaakt naar men beweert, in 1274 en waarvan verscheidene kopieën in het staatsarchief te Gent berusten en waarop men leest :  

"In 't jaer 1175 was soo grooten watervloet dat den dyck deurbrack tot Damme, dat men toen Hondsdamme noemde, ende de Wielingen braecken deur int jaer 1577 den twaalfden dagh van November, ten tijde van Graef Lodewijk Van Maele, die leefde anno 1570.De naervolgende prochien werden overspoeld: de Stede Biervliet, Bentille, Willemine-clooster, Roeselaere, Isendijcke, Hellemare, St.-Jan-In-de-Woestyne, Sinte Catelijne, Hamer, Cunkerck, Watervliet, Nivelle, Huyghervliet, boekhaute ende Volmeerbeek'.

 

Volgens deze kaart paalde St-Nicolaes-ter-Varent ten noorden aan Oostmanskerke en IJzendijke, ten noordoosten aan Biervliet, ten oosten aan Hamere, ten zuidoosten aan Elmare, ten zuiden aan Roeselaere, ten zuidwesten aan Ste-Margriete en ten noordwesten aan Ste-Katelijne

Wanneer men bij SANDERUS leest, dat na 984 de kerken van Ste- Katelijne en St.-Jan-in-de-Woestijne gebouwd werden en welke met de dorpen met dezelfden naam het ambacht IJzendijke uitmaakten, dan kan men daaruit afleiden dat St.-Nicolaes (alhoewel in een proefstuk van de 17de eeuw één van de oudste dorpen van Vlaanderen genoemd) later dan even genoemde plaatsen tot stand is gekomen.

 

Een ambacht was, om ons van de uitdrukking dezelfde geschiedschrijvers te bedienen, samengesteld uit een zeker getal aan elkaar palende en met elkaar verenigde kerspels (parochies) tot één en dezelfde vierschaar en onder één hoofdplaats behorende, onder elkaar een maatschappij te hebbende opgericht en hare beraadslagingen, lasten en wapens samenvoegende.

Op de kaart van 1274 ziet men nochtans duidelijk dat St.-Jan noch aan IJzendijke noch aan Ste-Katelijne paalde, terwijl tussen de twee eerste van die plaatsen de parochie en het klooster ELMARE lag, en Roeselaere, Novum Rollarium (dit niet heropgebouwde dorp heeft zijn naam overgelaten aan een kreek tussen St.-Jan-in-Eremo en Sint-Margriete), Ste-Margriete en een deel van St.-Nicolaes tussen Sint-Jan en Ste-Katelijne waren begrepen. Hieruit zou dan volgen dat St.-Nicolaes later tussen IJzendijke en Ste-Katelijne is opgekomen en Elmare tussen St.-Jan en IJzendijke in het leven werd geroepen.

 De professor KLUIT zegt, dat Gilbert De Nivelle reeds in 1181 aan de tempelheren gronden had toegewezen tussen Oostburg en IJzendijke. Ja, dat in 959, door graaf Arnold aan de St.-Pieters-abdij te Gent, zekere schorren werden geschonken op de hoogte van het tegenwoordige gehucht Steenhoven, bij Oostburg gelegen, die voor een schapendrift bestemd waren. Het zou op die hoogte zijn dat vijftig of meer jaren later de parochie Ste-Katelijne oprees, op de kaart van 1274 daar aangeduid,en door de geschiedschrijver MEYER , Ste-Katelijne bij Oostburg geheten.

Dresselhuis zegt nochtans dat dit dorp ter plaatse lag waar men thans het gehucht Steenhoven aantreft, en het zijn naam ontleend had aan de priorij van Elmare, in 1144 door Nothold, monnik der St.-Pietersabdij ontworpen en in 1342 door abt Jan met een schone kerk versierd. Onverstaanbaar is echter dat DRESSELHUIS, aan wie de kaart van 1274 niet onbekend was, de ligging van de andere er op aangetekende dorpen aanneemt, en ELMARE een mijl verder verplaatst. De ligging van Ste-Katelijne bij Oostburg is evenwel niet in twijfel te trekken en werd niet alleen door MEYER maar ook door WARNKOENIG aldus opgegeven. Het is mogelijk dat de gift van graaf Arnold in 959 aan St.-Pieters gedaan, SANDERUS en DRESSELHUIS misleid hebben omdat hun geen andere eigendommen van die abdij in deze streek bekend waren, doch gelijk men verder zien zal, had gemeld sticht (klooster) in deze plaats insgelijks eigendommen bezeten en eiste het aldaar uit diens hoofde in de zestiende eeuw de tienden waaromtrent de Heer van Watervliet een proces had lopen.

 

Daar waar in 1577 St.-NICOLAAS-ter-VARENT lag, bestond vroeger, onder Boudewijn met den ijzeren arm, een zeewaterboezem die tussen Oostburg en Biervliet liep en omstreeks de plaats waar nu WATERLANDKERKJE ligt, van richting veranderde en in het Land van Aksel schoot. Op de kaart van 1274 is die zeeboezem merkelijk verminderd en verbeeld hij maar een arm der Westerschelde meer, die zijn loop langs IJzendijke nam en in de nabijheid van St-NICOLAES ophield. Er is ons een charter bekend van 't jaar 1245 bij welke de gravin MARGARETA aan 't door haar gestichte hospitaal te Rijsel meer dan 2000 bunder woestijngrond schonk in de ambachten van Aardenburg, Maldegem en IJzendijke gelegen, terwijl ons van elders bekend is dat de meeste in deze streek gelegene polders deel uitmaakten van de schorren, door GWIJDE van DAMPIERRE aan den oudsten zoon uit zijn tweede huwelijk, JAN VAN NAMEN, geschonken, en door hem in 1282 met dijken omringd. De bodem van dit dorp, in laatstgenoemd ambacht ingesloten, bood dus in de dertiende eeuw, voor vermelde indijking, weinig meer dan een door moerassen doorsneden vlakte aan, en wat de landbouw erop verooverde,  werd door de ramp van 1377 volkomen vernietigd.

Het onder water gezette dorp bleef gedurende meer dan een eeuw, samen met verscheidene andere gemeenten van de streek, als het ware door de zee overspoeld. Werden er nu en dan enkele plekken droog getrokken, dan verdwenen zij door de opeenvolgende watervloeden van 1404, 1440 en 1477 opnieuw onder de golven. PAUL DE BAENST voorzitter en zijn broer GWIJDE, lid van de raad van Vlaanderen, kregen op 30 september 1497 van PHILIPS DE SCHONE de toelating om, de sedert eeuwen bevloeide schorren ten oosten van het  Bouckhouterambacht, tot voorbij de stad IJzendijke gelegen, door dammen en dijken tegen de zee te beschutten. De beide heren vertoonden in hun verzoek, dat de meeste van de in 1377 overstroomde landen nog onder water stonden. Ter uitzondering van enkele die zij gemachtigd waren geweest te bedijken, op beding onder de te leggen dijken waterwegen te openen tot wegvloeiïng der overtollige wateren, brede 'stellen' (heuvel op schorgrond waar het vee zich kan beschermen tegen opkomend water) of motten op die schorren op te richten ter beschutting van de schapen en het groot vee, huizen en schaapshofsteden te bouwen en putten te graven voor het bekomen van drinkbaar water. Zij boden aan dezelfde werken uit te voeren op de nog overstroomde schorren en deze werden hun ten titel van cijns afgestaan. PAUL DE BAENST, die weinige dagen na de bedoelde vergunning was overleden, liet het octrooi gedeeltelijk over tot Hieronymus Lauwerijn die, de ruime landstreek van Waterland en Watervliet uit de kaken van de verslindenden Neptuin rukte en tot vruchtbare polders omschiep'.

De St.-Christoffel-, de Laurijne-, de Hieronymus-, de St.-Anna-, de St.-Barbarapolder en andere kwamen zo door de zorgen van de LAUWERIJN achtereenvolgend tot stand en hielpen de uitgestrektheid van Vlaanderen met verscheidene gemeten vergroten. Watervliet rees als een prachtige stad uit de baren op en eerlang zou ook in de plaats van het oude St.-NICOLAES-ter-VARENT een nieuwe parochie ontstaan die de naam WATERLAND  zou dragen, als om de nakomelingen eeuwig in het geheugen te roepen op welke wijze zij haar aanzijn verschuldigd was. HIERONYMUS LAUWERIJN wendde zich daarom in 1507 tot  den vorst met het vertoog, dat hij buiten de pas bedijkte Hieronymuspolder, ter grootte van 2,100 gemeten, voornemens was er een nieuwe aan te leggen van ongeveer 1,100 gemeten, zijnde de tegenwoordige Oudemanspolder. Daarbij was hij van zin binnen de tien of twaalf jaren, indien de zee het toeliet, nog een andere te ontwateren op de brede waterplas (de Passegeulepolder) die hij tezamen wilde geven aan zijne oudste dochter BARBETTE (Barbara), ten titel van huwelijksgift, en ze te verheffen tot een heerlijkheid onder de naam WATERLAND, met recht om daarin, inziende van de verafgelegenheid van de meeste hunner bewoners van Watervliet, een kerk te bouwen en een kerspel (een kerkelijke gemeente, parochie) te stichten, alsook om bij die heerlijkheid 200 gemeten uit den Hieronymuspolder te mogen voegen, en dit alles als een achterleen van de heerlijkheid Watervliet te houden. Dit verzoek werd door den vorst in de maand september 1504 ten volle ingewilligd. Het bedijken der bedoelde polders ontmoette echter een geduchte tegenstand vanwege de bestuurders van 't BRUGSCHE VRIJE, dat tot diens voorwendsel inbrachten, dat het schadelijk zou geweest zijn voor hunne vaart naar IJzendijke, en, bovendien zij de voorrechten van den heer van Watervliet niet erkennen wilden. Na een langdurig proces hieromtrent, binnen dewelke MATTHIAS LAUWERIJN zijn vader in het bezit der genoemde goederen had opgevolgd, werden de twee partijen eindelijk bevredigd en troffen zij op 3/3/1527 een overeenkomst, door Karel de Vijfde op 2/9/1528 goedgekeurd.

De eerste bedijking had intussen plaats gehad in 't jaer 1525 en werd met enige tussenruimte voortgezet tot in 1539, namelijk van den Oudemanspolder - zo genoemd naar den overleden ouden Heer- den Passegeulepolder, onder welke naam reeds van voor de vloed van 1377 daar ter plaatse een polder bestond, den Vrijen polder en den Oostmanspolder (deze polder bestaat niet meer en hij dankte zijn naam aan het verdronken dorp Osemans- of Oostmanskerk), gezamenlijk een uitgestrektheid van 1500 bunder beslaande. De Oudemanspolder was gedeeltelijk tiendeplichtig aan St.-Pieters en gedeeltelijk aan het Kapittel van Doornik en aan Watervliet. De scheiding van de verschillende gebieden waarop de bovenvermelden tienden hieven werd in de Oudemanspolder gescheiden door : "enen blauwen paalsteen, scheidende de tienden tussen mijne Heren van Sinte Pieters, 't Capittele van Doornicke ende Vrauwen van Watervliet". De watervloeden van het laatste der 16de eeuw en het opzettelijk doorsteken der dijken tijdens den oorlog tegen Spanje, deden alles opnieuw onderlopen. De kerk echter, schijnt door een tragel (dijk) die nog te zien is, beschermd te zijn geweest. Op de kaart van PAUW is deze tragel in het zuidelijk deel van den Oudemanspolder aangeduid alwaar een driehoekje gezien wordt maar die kan ook de plaats aanduiden waar het oude dorp stond. In een reeds aangehaald processtuk vinden wij aangetekend dat in 1621 de gemeente bijna geheel onder water werd gebracht met gevolg dat de meeste hare inwoners ze verlaten moesten. Aan haar herdijking kon slechts gedacht worden in 1652 en dat er nog enige jaren verliepen vooraleer dit werk ten volle uitgevoerd was, blijkt uit de omstandigheden dat de Vrije dijk, lopende van het Meuleken, tusschen Waterland en IJzendijke, tot aan de Krakeelpolder, volgens een aantekening in het kerkarchief, eerst gelegd werd in 1667. In het begin van het twaalfjarig bestand, dit is in de eerste jaren van de 17de eeuw, ontstond  er een geschil tussen het Vrije van Brugge en dat van Sluis over het gebied dezer verschillende collegiën. Die van Sluis moesten echter hunne aanspraken op de dorpen St.-Jan, Ste-Margriete en enige andere opgeven. Het is dus niet vreemd dat het daaraangrenzende Waterland, ofschoon tot het Oost-vrije behoorde, aan het Vrije van Brugge verbonden bleef. Dit belette echter niet, dat gedurende het bestand, op octrooi der Algemene Staten, de Passegeulepolder en de Vrije polder door Jacob Cats en zijnen broeder herdijkt werden. Dit werk baarde de geliefde volksdichter echter meer schade dan voordeel of genot. Daar men, om de Spanjaards de toegang af te snijden, het nodig oordeelde de Vlaamse landen onder water te zetten, ging daardoor niet alleen de nieuwe landschepping voor een goed deel teniet, maar werd CATS bovendien in lastige processen gewikkeld die hem naar Den Haag dreven om er niet alles bij in te schieten. Van hunnen kant zagen, bij het uitgaan van het bestand, de onderdanen van den koning van Spanje zich van hun goederen verbeurd verklaren, hetgeen echter naderhand ten gunste van sommigen, waaronder de opvolgers der Lauwerijns, werd ingetrokken.

Zolang de BRANDKREEK en de PASSEGEULE met de zee in gemeenschap waren en hunne wateren natuurlijk op- en afliepen,liet de gezondheid van de bewoners weinig min dan elders te wensen. Doch, eens in hunnen loop gestremd, brachten zij verpestende uitwasemingen voort die nadelige gevolgen opleverden.In de loop der tijden, maar vooral in onze dagen is hier echter reeds veel in voorzien, en ware het niet dat hier en daar in onze polderstreek nog enige kreken aangetroffen worden, wier stilstaande wateren naar een uitvloeien wachten, de gezondheid ware er ruim zoo goed als in welk ander deel onzer provincie.

Voor de onlusten van de 16de eeuw paalde de gemeente ten noorden aan den zuidelijken dijk der IJvewatering en Oostburgerambacht, van welke zij echter door een vaarwater gescheiden was, ten noordoosten en ten oosten aan Watervliet, ten zuiden aan Sint-Jan-in-Eremo en ten westen aan deze laatste gemeente en Ste Margriete vroeger ook Ste Katelijne genoemd, zodat zij toen strekte tot daar waar thans Klein Brabant ligt. De maatregelen tot bescherming van het land brachten bij de hervatting van den oorlog, na het eindigen van het twaalfjarig bestand, een alleszins grote verandering in de bodem dezer gemeente. De zogezegde LINIE werd er in het noorden, en meer zuidelijk de Brandkreek, gegraven, door welke beide het zeewater van de Schelde naar het Zwin kon vloeien. Door het eerste werden de Passegeulepolder en de Vrije polder,en door het laatste de Hieronymuspolder en de Oudemanspolder verbrokkeld en ontstond het EILAND, dat het dorpje en gedeelten van genoemde polders bevatte. Waterland werd derhalve in drie delen gesplitst waarvan het zuidelijke op Spaanse bodem, en het noordelijke, dat echter tot na de Munstersche Vrede onbedijkt bleef, in het Statengebied lag. In 't midden had men Het Eiland. Toen, bij de sluiting van laatstgenoemde vrede, er in 1666 tot een nieuwe grensbepaling werd overgegaan, viel een deel van het dorp met de kerk binnen de grenzen van de Verenigde Nederlanden, terwijl het overige, nagenoeg de helft, in Spaans bezit bleef.

Bij de inval der Fransen, op het einde der verleden eeuw, kwam de burgerlijke gemeente WATERLAND-OUDEMAN in de plaats van de afgeschafte heerlijkheid, met dezelfde naam als deze laatste, sedert den afstand der gronden benoorden de LINIE, zij alzo bleef tot 1814, toen Staats-Vlaanderen weer met Nederland werd verenigd en aan de provincie Zeeland toegevoegd werd.

In het voorjaar 1852 stuurde daarop Biervliet een boodschap naar Gent dat er op 7 maart tengevolge van een storm 'zeker inundatie geschiede'. Men deed beroep op de rekenkamer om financiële steun. Er werd echter niet veel bereikt. De rekenkamer stuurde een afgevaardigde. Assenede, Boekhoute, Watervliet, St-Margriete, St.-Kruis, St-Jan-in-Eremo en den Oudeman werden verplicht steun te geven aan Biervliet.

 Ligging

Zoals de gemeente tegenwoordig bestaat grenst zij ten noorden, met den Vrijen dijk, aan IJzendijke, ten oosten aan Watervliet, ten zuiden aan St.-Jan-in-Eremo en ten westen aan deze laatste gemeente en aan Ste Margriete. Zij heeft eene oppervlakte van 890 hectaren en is, buiten het eigenlijke dorp, in drie wijken verdeeld, aangeduid onder de benamingen van Hieronymuspolder-Oudland, Hieronymuspolder-Nieuwland en Oudemanspolder waarvan Rovershoek, Molenhoek, t Moleken en Drijdijk als onderverdeelingen zijn te beschouwen. De gemeente behoort bij het vredegerechtskanton Kaprijke, van welke hoofdplaats zij 10 kilometers is afgelegen. Haar klokkentoren bevindt zich op 51ø17'18'' poolshoogte en 1ø15'15'' ten oosten van de middaglijn van Parijs, terwijl zij aan de kerkdorpel 5 meter 92 en aan de grens bij 't Moleken, 3 meters 50 centimeters boven de lage zee te Oostende ligt.

De algemene toestand van de bodem is klei en zandachtig. De Hieronymuspolder en een deel van de Oudemanspolder leveren de beste vruchten op, terwijl de dorpsplaats, Hieronymuspolder-Oudland en een deel van den Oudemanspolder minder vruchtbaar zijn.

        

De Bevolking

  De bevolking van WATERLAND-OUDEMAN is sedert het begin dezer eeuw enkel gedaald. In 1801 bedroeg zij 817 zielen, waaronder 47 ingeschrevene hoofden van behoeftigen (armen), terwijl zij in 1866, tijdens de algemene telling, 846 inwoners telde van welke slechts 170 mannelijke en 116 vrouwelijke lezen en schrijven konden. Er waren destijds 168 bewoonde huizen, een bewoond door een gelijk aantal gezinnen.

Land- en waterwegen

 

Onder de gemeenschapswegen dient hier te worden aangehaald de buurtweg van Waterland naar Watervliet langs den dijk van de Oudemans- en Hieronymuspolder, in gemeenschap met de provinciale baan die van Watervliet over Kaprijke, Sleidinge en Wondelgem naar Gent loopt. Deze weg ligt op het bovendeel de polderdijk en kostte ongeveer de som van 24.000 frank. Hij is van uitstekend nut voor de beide gemeenten, inzonderheid voor Waterland-Oudeman, welke, aan de uiterste grens gelegen, voor den aanleg ervan, dus tot voor 1848, beroofd was van gekasseide gemeenschapswegen. Een toestand die voor de landbouwnijverheid hoogst nadelig was. De enige waterloop van belang, het grondgebied dezer gemeente bevochtigend, is gekend onder de benaming van WATERGANG. Hij ontstaat uit de Linie op het grondgebied van IJzendijke en werpt zich in het kanaal van Zelzate naar de Noordzee.

Een bijzonderheid, waardoor dit dorp zich meer dan andere onderscheiden heeft, mag hier niet onvermeld gelaten worden. Wij bedoelen de uitwijking naar Amerika sedert het rampvol jaar 1847, van een veertigtal inwoners, mannen, vrouwen en kinderen, meest tot den kleine boerenstand behorende, waarvan enkelen zijn weergekeerd en anderen, zoo het schijnt,er een gedroomde welstand gevonden hebben. Hun namen zijn door den overleden pastoor Vereecken in een door hem opgesteld handboek aangetekend.

De kermis van Waterland-Oudeman valt de derde zondag van September.

Ten slotte zij hier nog gezegd, dat de gemeente in den mond van de bewoners doorgaans den Oudeman wordt genoemd.

 
  Site Map